🌐 Language
'Olelo Hawai'iAfaan Oromoobahasa IndonesiaBelarusianBrezhonegCebuanoChamorroChichewachiShonaChongthuCiyawoDanskDeutschEestiEnglishEspañolEsperantoeʋegbeFrançaisHausaHrvatskiIgboIlocanoItalianoKikuyuKiswahiliKiyombiKreyòl AyisyenLatinaLatviešulietuviųLingálaLugandaMagyarMahasuiMāoriNederlandsNorskPohnpeianPolskiPortuguêsQach’abelRomaniRomânăSanskritSetswanaShqipsrpski jezikSuomiSvenskaTagalogTiếng ViệtTonganTwiTürkçeUyghur tiliYorùbáÍslenskaČeštinaБългарскиРусскийУкраїнськаעבריתاردوالعربيةفارسیكوردی سۆرانیअहिराणी‎नेपालीभद्रवाही‎मराठीमानक हिन्दी‎हरियाणवी‎অসমীয়াবাংলাਪੰਜਾਬੀગુજરાતીଓଡ଼ିଆ‎தமிழ்తెలుగుಕನ್ನಡമലയാളംไทยဗမာἙλληνική中文日本語한국어+ Alle talen
See More Jesus
Nederlands

Wat zegt de Bijbel over godsvrucht? — Het in praktijk brengen · KJV-Schriftteksten met Strongnummers — Bijbelquiz

Bijbelquiz

Wat zegt de Bijbel over godsvrucht? — Het in praktijk brengen · KJV-Schriftteksten met Strongnummers — Bijbelquiz

Kies bij elke referentie hieronder wat dat vers leert. Je score verschijnt aan het einde.

This is the graded quiz. Pass it to earn credit toward your Ministry Certificate of Endorsement.

2 Petrus 1:3 — Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles, wat tot het leven en de ________ behoort, geschonken heeft, door de kennis Desgenen, Die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd;
naarstigheid
wandel
godzaligheid
1 Timotheüs 3:16 — En buiten allen twijfel, de verborgenheid der ________ is groot: God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.
lijdzaamheid
godzaligheid
vrijmoedigheid
1 Petrus 2:2 — En, als nieuwgeborene kinderkens, zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste ________, opdat gij door dezelve moogt opwassen;
doop
vermaan
melk
Hosea 11:3 — Ik nochtans leerde ________ gaan; Hij nam ze op Zijn armen, maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas.
Egypte
Efraim
Samaria
Psalm 34:11 — Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN ________ leren.
vreze
werk
olie
Hebreeën 11:6 — Maar zonder geloof is het ________ Gode te behagen. Want die tot God komt, moet geloven, dat Hij is, en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken.
onberispelijk
ongelovig
onmogelijk
Handelingen 3:2 — En een zeker man, die kreupel was van zijner moeders lijf, werd gedragen, welken zij dagelijks zetten aan de deur des tempels, genaamd de Schone, om een ________ te begeren van degenen, die in den tempel gingen;
voetbank
aalmoes
beschuldigers
Handelingen 3:12 — En Petrus, dat ziende, antwoordde tot het volk: Gij Israelietische mannen, wat verwondert gij u over dit, of wat ziet gij zo sterk op ons, alsof wij door onze eigen kracht of ________ dezen hadden doen wandelen?
lijdzaamheid
godzaligheid
wandel
Handelingen 3:8 — En hij, opspringende, stond en wandelde, en ging met hen in den ________, wandelende en springende, en lovende God.
hemel
plaats
tempel
Genesis 5:24 — ________ dan wandelde met God; en hij was niet meer; want God nam hem weg.
Hemor
Bilha
Henoch
Genesis 6:9 — Dit zijn de geboorten van Noach. Noach was een ________, oprecht man in zijn geslachten. Noach wandelde met God.
vergeten
rechtvaardig
gezworen
Micha 6:8 — Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en ________ lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?
volheid
ijdelheid
weldadigheid
Psalm 4:3 — Weet toch, dat de HEERE Zich een gunstgenoot heeft afgezonderd; de HEERE zal ________, als ik tot Hem roep.
horen
tijd
bedrog
Kolossenzen 2:6 — Gelijk gij dan Christus Jezus, den Heere, hebt aangenomen, ________ alzo in Hem;
levende
geliefden
wandelt
Kolossenzen 1:10 — Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle ________ werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God;
recht
gerechtigheid
goede
Galaten 5:25 — Indien wij door den Geest leven, zo laat ons ook door den Geest ________.
ontvangen
wandelen
zoeken
1 Johannes 2:6 — Die zegt, dat hij in Hem ________, die moet ook zelf alzo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft.
nut
blijft
bloem
1 Timotheüs 2:1 — Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, ________, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen;
gebeden
heren
werken
1 Timotheüs 6:6 — Doch de ________ is een groot gewin met vergenoeging.
godzaligheid
liefde
gehoorzaamheid
Titus 2:12 — En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse ________ verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld;
begeerlijkheden
Schriften
lijden
1 Timotheüs 6:11 — Maar gij, o mens Gods, vlied deze dingen; en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, ________.
wandel
verzoeking
zachtmoedigheid
2 Petrus 1:6 — En bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid, en bij de lijdzaamheid ________
naarstigheid
godzaligheid
ongerechtigheid
1 Timotheüs 6:12 — Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede ________ beleden hebt voor vele getuigen.
belijdenis
aanneming
vrijmoedigheid
1 Timotheüs 1:18 — Dit gebod beveel ik u, mijn zoon ________, dat gij naar de profetieen, die van u voorgegaan zijn, in dezelve den goeden strijd strijdt;
Macedonie
Lazarus
Timotheus
2 Timotheüs 2:3 — Gij dan, lijd ________, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.
begeerlijkheden
verdrukkingen
lijden
2 Timotheüs 2:4 — Niemand, die in de krijg dient, wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftochts, opdat hij dien moge ________, die hem tot den krijg aangenomen heeft.
Schrift
getuigenis
behagen
Efeziërs 6:11 — Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt ________ tegen de listige omleidingen des duivels.
ontvangen
staan
gedaan
Romeinen 6:13 — En stelt uwe leden niet der zonde tot wapenen der ________; maar stelt uzelven Gode, als uit de doden levende geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.
ongerechtigheid
verdrukking
gehoorzaamheid
1 Korinthiërs 9:24 — Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan lopen, allen wel lopen, maar dat een den prijs ontvangt? Loopt alzo, dat gij dien moogt ________.
verkrijgen
bevestigen
verliezen

← Terug naar de studie